
Wet bodembescherming
Artikel 35
1
Voor zover de verontreiniging of aantasting de bodem onder oppervlaktewater betreft, berusten - in afwijking van artikel 30 - de in dat artikel aan gedeputeerde staten toegekende bevoegdheden bij de waterkwaliteitsbeheerder. Gelijke bevoegdheden berusten bij de waterkwaliteitsbeheerder voor zover de verontreiniging of aantasting de kust of de oever van oppervlaktewater betreft, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verontreiniging of aantasting geen gevolgen heeft voor de bodem onder dat water.
2
In een geval als bedoeld in het eerste lid:
a
heeft, behoudens indien de verontreiniging of aantasting de bodem onder of de kust of de oever van oppervlaktewater betreft waarvoor Onze Minister van Verkeer en Waterstaat waterkwaliteitsbeheerder is, Onze commissaris in de provincie waar de verontreiniging of aantasting zich voordoet, de in artikel 31 bedoelde bevoegdheden totdat de waterkwaliteitsbeheerder van zijn bevoegdheden gebruik maakt;
b
zijn de artikelen 32 tot en met 34 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van die artikelen gedeputeerde staten van de betrokken provincie worden gelijkgesteld met de burgemeester van de betrokken gemeente.
3
Ten aanzien van de schade ten gevolge van een overeenkomstig het eerste lid j° artikel 30, derde of vierde lid, door de waterkwaliteitsbeheerder gegeven bevel is artikel 74 van overeenkomstige toepassing.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.